Ga naar hoofdinhoud

Sandevoerde

Zandvoort bestaat als dorp al sinds het jaar 1100. Vroeger heette het: Sandevoerde.
Dat is een samenstelling van de woorden zand en voorde. Een “voorde” is een plek waar je tussen de zandduinen door het strand op kunt komen.

Oudhollandse liedjes

Kom in sferen van vroeger door deze leuke liedjes mee te zingen:

In Holland staat een huis

Ik heb een tante en een oom

Blokken bouwen

Opa Bakkebaard

Bouwen, timmeren en zingen

Kees de Muis Luisterlied

Van de Kees de Muis cd. Peter van Gestel heeft het luisterlied van Kees de Muis geschreven en gezongen en alle andere liedjes ingezongen.

Klederdracht

Ook vroeger deed men flink zijn best om zich mooi aan te kleden.

De streekdracht was de mode van toen. Per plaats ontwikkelden de mensen een stijl die net wat anders was dan in andere plaatsen. Dat gold vooral voor de dames.

De vorm van het rieten hoedje dat de vrouwen droegen bijvoorbeeld, veranderde langzaam van vorm, tot een model dat specifiek was voor Zandvoort. Het hoedje had een stoffen voering. De witte kap, die over het haar lag en dus onder het hoedje, was in Zandvoort extra lang in vergelijking met andere kapjes. (Het zou kunnen dat alleen de rijkere vrouwen zich een lange kap konden veroorloven).

Het schort zien we nu als iets voor tijdens het koken of of werken om de gewone kleren niet vies te maken. In vroeger tijden was het schort juist een mooi onderdeel van de dagelijkse dracht. De rok bestond uit verschillende lagen stof. Er ontstonden ook allerlei manieren om de rokken makkelijk omhoog te houden tijdens het werken en sjouwen.

Typisch voor de mannen was een rode bloes onder stevige, zwarte kleding.

Op zondag en op bijzondere gelegenheden kleedde iedereen zich extra netjes aan. Schoongewassen kleren gemaakt van mooiere stoffen. Dan kwamen ook de sieraden tevoorschijn. Voor die sieraden moest meestal jaren gespaard worden. De sieraden waren vooral in en om het hoedje, om die te versieren en stevig vast te maken (zoals oorijzers en mutsspelden). Behalve sieraden, was kant was een hele bijzondere (en dure) stof.

In de Eerste Wereldoorlog ging veel van de plaatselijke klederdracht verloren. Een kleine groep ouderen hield nog vast aan de traditie. Het toerisme beïnvloedde ook de mode en stijl. Na de Tweede Wereldoorlog was de Zandvoortse dracht echt vrijwel geheel verdwenen.

Waar je de Zandvoortse dracht nu nog kunt zien, is bij optredens van Folklorevereniging de Wurf. Zij hebben de mooie kleding precies nagemaakt en verkleden zich tijdens (dorps)evenementen om te herinneren aan de traditie. Ook make ze toneelstukken en spelen ze tafereeltjes na van vroeger, zoals de Visafslag (het verkopen van de versgezangen vis op het strand).

In het Zandvoorts Museum is nog een kamer ingericht in de stijl van vroeger, waar ook de kleding te zien is. Als je er bent, kun je de kleren eens aanraken. Je zult voelen dat de stoffen van toen heel anders en steviger aanvoelen dan wat de meeste mensen nu dragen. Waar we nu veel kunststof (polyester) gebruiken, was er toen vooral wol, zijde, leer. En ook wel katoen, net als nu.

Wat zou jij ervan vinden als er een speciale mode was, specifiek voor jouw wijk of voor heel Zandvoort? Dan kun je aan de kleding zien waar je vandaan komt en volgt iedereen ongeveer dezelfde kledingvoorschriften.

Als men in de rouw was, was het ongepast “opschik” te dragen. De kleding was dan donker of zwart. Om de hals droegen de weduwen in plaats van de rode bloedkoralen, donkere sieraden gemaakt van de edelsteen granaat of zwarte git.

Video: Klederdracht

Alle vrouwen droegen vroeger kappen over hun haren. Mieke laat zien hoe dat ging.
Het hete water voor de koffie komt trouwens uit het water-en-vuurwinkeltje.

Oude Beroepen

Wat hield de mensen vroeger bezig? Hoe woonden ze? Welk werk deden ze?
Een aantal beroepen op een rij. Welk beroep zou jij leuk hebben gevonden als je toen leefde?

Met veel dank aan Arie Koper en voor het samenstellen van de informatie op deze pagina

De dorpsomroeper

Jan Snijer “Lange Jan” – foto collectie GOZ

Dorpsomroeper is een heel oud beroep. Rond 1800 stonden zij in dienst van de reders om te kijken of de vissersschepen al in aantocht waren. Als dit het geval was, liep hij door het dorp en sloeg hard op zijn “Klink”, een grote koperen schaal. Hij riep:

Al degeen, die schol, schar en garnael kope wulle, komme an zee! Hoort zegt het voort!!!

De visopkopers, meestal de vrouwen uit het dorp, gingen dan snel naar het strand om de verse vis op te kopen. De omroeper was tegelijk ook de visverkoper, de “Visafslager”. De meesten hadden ook zelf toen zij jonger waren als visser op de Bomschuiten gevaren en werden pas op latere leeftijd omroeper.

Een bekende Zandvoortse omroeper was Jan Snijer die vanwege zijn lengte “Lange Jan” genoemd werd. Jan was niet alleen omroeper want in zijn tijd verdiende je te weinig om er van rond te komen. Hij was ook assistent van de gemeentecommies, klokopwinder bij de Protestantse kerk, nachtwaker, doodgraver, lantaarnopsteker, torenvlag-uitsteker, klokkenluider, koster in de kerk en kustlichtontsteker. Veel hè?

Later werden omroepers ook in dienst genomen bij de gemeente om speciale, officiële boodschappen
om te roepen. Bekijk deze video om te zien hoe de Dorpsomroeper vroeger het nieuws bracht.

De visloper

Als de vis op het strand gekocht was moest deze verkocht worden. De vis werd hiervoor in grote manden gestopt, deze konden wel zo’n 40 kilo wegen.

De vis werd meestal door vrouwen, lopend door de duinen, naar Haarlem of verder gebracht waar ze verkocht werd.

       

Voordat ze het duin in gingen trokken de vislopers hun klompen en sokken uit bij de “Kousenpael”, dat was een paal die in de Haltestraat stond ter hoogte van het vroegere café Neuf. Door de duinen kon je namelijk niet goed lopen met klompen aan.

Meer over vislopers en vissers in Zandvoort op de pagina over het Vissersleven.

Water-en-vuurwinkel

Foto uit Archief Genootschap Oud Zandvoort

Vroeger hadden mensen geen warm water in huis! Een water-en-vuurwinkel was een winkel waar men heet water kon kopen dat op een vuur was opgewarmd. Ook waren er gloeiende kolen verkrijgbaar: die kocht je om de eigen kolenkachel aan te maken of om een stoof mee te vullen.

De winkels waren tot in de eerste helft van de twintigste eeuw een gewoon verschijnsel. Rond de Tweede Wereldoorlog verloren ze hun bestaansrecht, doordat steeds meer woningen een gasaansluiting en een moderne keuken kregen.

Op de hoek van het toenmalige Jan Snijerplein met de Stationsstraat was dit water-en-vuurwinkeltje van Poppe Moeke gevestigd.

De visser

Ruim 200 jaar geleden was Zandvoort een vissersdorp en leefden veel bewoners van de visserij. Omdat Zandvoort geen haven had, waren er voor de visserij speciale schepen nodig. Dat waren de bomschuiten.

De bomschuiten hadden een platte bodem en konden door de branding heen op het vlakke strand aanlanden.

De vissersvloot bestond rond 1810 uit ongeveer tien bomschuiten. Op het zeil van de bomschuit stond als teken ZV en een nummer vermeld. Een grote bomschuit was ca. 9 tot 14 meter lang en ongeveer 3 tot 7 meter breed.

Er waren ook wat kleinere bomschuiten die visten in ondieper water. De vissers met grote bomschuiten visten met netten met grote mazen in diep water op platvis. Dat zijn vissen die voornamelijk op de bodem van de zee leven zoals bot, schol en schar.

De Zandvoortse vissers met kleine bomschuiten visten in ondiep water op garnalen.

Bomschuiten: vissersboten met extra platte bodem

 

  

Einde visserij

Met de komst van nieuwe soorten schepen rond 1870 veranderde de visserij in Nederland. De nieuwe schepen waren sneller en hadden motoren. Dit was het begin van het einde van vissen met de bomschuit. Er werden visserijhavens aangelegd in IJmuiden, Scheveningen en Katwijk.

In Zandvoort verdween de visserscultuur en ging men zich richten op het badtoerisme.

De schelpenvisser

Het beroep van Schelpenvisser werd in Zandvoort al vanaf de 12e eeuw uitgeoefend. Het was een zwaar beroep en alleen weggelegd voor gespierde mannen.

Wanneer de schelpen door de onderstroom van de Oostenwind aan de rand van de zee in de golfslag bleven liggen, kwam de schelpenvisser in actie. Hij trok de ijzeren beugel van het net over de zandbodem, terwijl hij langzaam door de golfslag achteruit liep. De schelpen bleven zo in het net hangen.

Voordat de schelpenvisser het volle net met een sierlijke zwaai in de schelpenkar leegde, spoelde hij het net met de schelpen eerst schoon door het in de golven te houden.

Als de kar vol was, werd deze door de duinen naar de Leidsevaart en het Spaarne in Haarlem gereden; een zeer tijdrovend werk. De schelpen werden daar in schepen geladen om vervoerd te worden naar kalkovens in Akersloot om er schelpkalk van te laten maken.

          

Schelpkalk stond in de 17e eeuw hoog aangeschreven en werd veel gebruikt als metselkalk bij de bouw van gebouwen. De schelpen werden ook gebruikt voor de glasindustrie.

Na de aanleg van de spoorlijn Zandvoort-Haarlem werden de schelpen op enig moment per trein vervoerd. Bij het voormalig vuillaadstation op het NS-terrein aan de Van Lennepweg lagen halverwege de vorige eeuw grote bergen schelpen te wachten op transport. Veel Zandvoorters lieten schelpen als tuinversiering in hun tuinen aanbrengen.

Bekende schelpenvissers waren o.a. Vogerassy, August van der Mije (bijnaam de Steek), Aart Koning (Kokke) en Leen Driehuizen (Gasko). Het beroep schelpenvisser bestaat inmiddels niet meer.

De badvrouw/badman

Jobje de badvrouw – Archief Genootschap Oud Zandvoort

Wanneer vroeger iemand in de zee wilde gaan baden, stapte hij of zij geheel aangekleed op het strand in de badkoets. Binnen lagen een badkostuum of handdoeken klaar.

De badvrouw hielp soms de vrouwelijke badgast bij het omkleden. Wanneer de badgast zich had omgekleed, klopte hij/zij op de wand van de koets. Dit was voor de koetsier het teken dat de badkoets met daarin de badgast in de zee kon worden gereden. Dit gebeurde meestal met behulp van een paard. Pas wanneer de badkoets in de zee stond, mocht de badgast via de trap afdalen in de zee. De badman of de badvrouw hielpen de badgast bij het baden en zorgden er voor dat de badgast niet verdronk.

De smid

Smederij Versteege – collectie GOZ

Een smid was in het oude Zandvoort een echte handwerksman, die metaal smeedde.

Smederij Versteege – collectie GOZIn het oude Zandvoort reden er natuurlijk nog geen auto’s, die moesten nog uitgevonden worden. De mensen gingen lopen of reden paard of zaten in een paard en wagen. De smid maakte de hoefijzers voor de paarden en besloeg de paarden hiermee. De wagens waren van hout met houten wielen en om deze wielen zat een stalen band, die maakte de smid ook. Met behulp van een molensteen werd de stalen band om het wiel bevestigd.

Er is nog een molensteen te zien achter in Versteeges IJzerhandel in de Pakveldstraat.

Tegenwoordig maken de smeden vooral sierwerk.

Smederij Dorsman – collectie GOZ

Op deze video is te zien hoe met paard en wagen werd gereden. Daarna loopt Marcel Meijer naar de oude smederij van Dorsman.
Je kunt kijken tot aan het stuk dat hij vertelt over de oude schuur die naast het Zandvoorts Museum staat.
(De video begint op minuut 38 van de documentaire Zon en zee van Thys Ockersen.)

De IJsman

Vroeger was er alleen in de winter ijs. Pas in 1914 werd er op Zandvoort een IJsfabriek gebouwd. Het ijs werd gemaakt in lange staven die met paard en wagen naar de kopers gebracht werden.

Het sjouwen van de staven was zwaar werk. In Zandvoort waren dit in het begin vooral de vishandelaren en slagers, pas later kwam consumptie-ijs op de markt. De lekkere ijsjes die we nu nog kennen.

Jutten

“Oude Tippy”

Jutten is het zoeken en weghalen van aangespoelde spullen van het strand. Denk bijvoorbeeld aan hout en vroeger ook kolen die overboord sloegen bij stoomschepen. In de jaren 1960 lagen er zelfs meelbalen op het strand. Natuurlijk moest je het aangeven bij de strandvonder, maar dit gebeurde niet altijd. Je moet niet vergeten dat de meeste mensen in die tijd erg arm waren

Een bekende jutter was “Oude Tippy”, die eigenlijk Willem Keur heette. Op deze foto loopt hij op het strand langs de vloedlijn op zoek naar hout voor de kachel.

Achterom

 

 

 

 

 

Het houten gebouw aan het Achterom is in 1875 gebouwd van “juthout”. In deze schuur stonden de paarden en wagens van een voermanderij met op de bovenverdieping een hooizolder.

Een voermanderij was een bedrijf waar je paarden of een paard en wagen kon huren. Als je in de 18e en 19e eeuw in Haarlem moest zijn, bijvoorbeeld bij de notaris, dan huurde men paard en wagen. In die tijd waren er namelijk nog geen auto’s. Als je daar geen geld voor had, ging je zoals de meeste Zandvoorters lopend.

De boeren

Zandvoort kent geen boerenachtergrond. Er werden wel aardappelen en groenten geteeld op landjes in het duin. De duinaardappelen waren vanwege hun smaak erg bekend en gewild in de omgeving.

Lekkere aardappels in de duinen verbouwen

Een boerderij midden in het dorp

In het centrum van het dorp aan de Kleine Krocht lag de boerderij van boer Van Saase. De boer hield varkens en ongeveer 12 koeien, er was een weiland in de buurt (waar nu het raadhuis staat) waar ze konden grazen.

Toen na 1910 de grond te droog werd vanwege het onttrekken van water voor de duinwaterleiding, moest boer Van Saase in de zomer zijn koeien naar Heemstede brengen om te grazen. In de jaren 1920 is de boer ermee gestopt.

De kolenboeren

Kees Beekhuis (op de bok) met Leen Kerkman

Vroeger was er geen centrale verwarming. De huizen werden verwarmd met kachels waarin (gejut) hout en kolen gestookt werden. De kolen kwamen onder andere met de trein naar Zandvoort en ook werden er wel kolen van het strand geraapt die de stoomschepen verloren.

De kolen kon je kopen bij de kolenboeren, een bekende was Jaap Schuiten en een andere was Kees Beekhuis. Als je kolen nodig had kon je ze gaan halen bij de kolenboer, maar ze konden ook bij je thuis bezorgd worden. Meestal kochten de mensen een paar mud* die in een kolenhok achter het huis gestort werden.

In de jaren 1960 kwamen de olie- en later de gaskachels op de markt en verdwenen de kolenboeren.

* Een mud (of mudde) is een oude inhoudsmaat voor droge waren. De inhoud van een mud verschilde per plaats, per tijd en per soort koopwaar.
In Amsterdam bijvoorbeeld was een mud 111,5 liter.

Sleeën en sneeuwpret

                                                                                     Samengesteld door Hans Konijn

Sneeuw en ijs doet menig kinderhart sneller kloppen. De wereld wordt wit, de slee kan van zolder of uit de schuur en de schaatsen kunnen onder gebonden worden. Dat is al vele eeuwen zo.

In het verleden hebben kunstschilders sneeuw- en ijspret op het doek afgebeeld, zoals hierboven (Winterlandschap met schaatsers, geschilderd door Hendrick Avercamp in 1608). Later werden er foto’s gemaakt van plekken waar geschaatst of gesleed werd.

De foto is gemaakt begin 1900. Je ziet het begin van de Strandweg die in die tijd nog schuin afliep naar het strand. Het was dus de ideale plek om met een slee naar het strand te glijden. Er zitten voornamelijk volwassenen op de slee, soms zelfs met zijn tweeën. Je ziet wel een paar kinderen, maar die staan slechts toe te kijken.

Ook in Zandvoort werd, zodra de omstandigheden het toelieten, de slee gepakt. Toch was er wel een verschil: aan het einde van de 19e eeuw / begin 20e eeuw waren het vooral de volwassenen die genoten van de sneeuw. Op de foto’s uit die tijd is dat duidelijk te zien. Er zijn wel kinderen maar die kijken hoofdzakelijk toe.

Daar zijn wel wat redenen voor. Veel Zandvoorters waren in die tijd arm. De kinderen uit deze gezinnen moesten al op jonge leeftijd meewerken in het gezin of daar buiten. Kinderarbeid was nog heel gewoon. Daarnaast was het bezit van een slee of schaatsen een luxe die voor veel van hen niet was weggelegd.

Volwassenen op de slee

Dat volwassenen ook maar wat graag op de slee roetsjten was ook om een grappige reden: In die tijd verplaatsten de meeste mensen zich voornamelijk te voet. Auto’s waren er wel maar slechts beschikbaar voor een hele kleine groep rijke mensen. Het met de slee vanaf een helling suizen was dus voor de gewone man dé gelegenheid om kennis te maken met de snelheid zoals in een auto.

   

De foto’s van deze glijpartij zijn genomen door fotograaf Anthonie Bakels. De fotograaf maakte gebruik van een grote houten camera. De beelden werden overgebracht op een glasnegatief waarvan de afdruk naderhand in de donkere kamer overgezet werd op papier. Voor een goede opname had de fotograaf weinig mogelijkheden. Het was lastig om bewegende mensen te fotograferen. Je kan dat ook zien op de foto’s. De sledes die nog niet zo snel gaan, zijn het scherpst afgedrukt. Verder op de helling, waar de sledes snel gaan, wordt het beeld onduidelijker.

Wanneer je goed kijkt, zie je dat zowat alle mannen een pet op hebben. Je ziet een enkele vrouw in Zandvoortse kledingdracht wat in die tijd nog heel gewoon was. Ook zie je dat er enkele vrouwen op de slee zitten maar vreemd genoeg niet alleen. Ze zitten op de schoot van een man wat vermoedelijk weinig comfortabel was ook omdat het eenvoudige lage sledes zijn.

Foto omstreeks 1938. Hoeveel auto’s met sleetjes erachter tel jij?

Deze manier van voortbewegen was niet geheel zonder risico. Het zou vandaag de dag dan ook niet meer kunnen gezien het drukke verkeer. De foto is genomen op de Boulevard de Favauge waar in die tijd nog auto’s mochten rijden.

Hier wordt niet de slee voortgetrokken door een auto maar een skiër.

Heel zelden kon je met de slee de zee op. Of we dat nog eens gaan meemaken is maar zeer de vraag.

Natuurlijk werd er ook de kinderen gesleed! Het duingebied bood daar volop mogelijkheden voor. Bij voldoende sneeuw werd al gauw een geschikt duin gezocht om af te sleeën. Dat is nog steeds zo.

 

 

 

Ook bij de Vijverhut werd na de oorlog, als het weer het toeliet, volop geschaatst.
Back To Top